Pounding the stone

Pounding the stone

Kijk. Daar ligt ‘ie. Stil en groot en vlak voor mijn neus. Onverwoestbaar in al zijn eenvoud. Me tartend. Uitdagend.

De steen.

Regelmatig pak ik hem op. Hou ik hem vast. Kritisch wegend. Met toenemende wanhoop constaterend dat deze steen het van mij zal winnen. Te allen tijde.

Massief.
En zwaar.
Vooral heel zwaar.

Het is de steen van belemmerende gedachten. Van twijfel en ondermijning. Laag na laag van minderwaardigheidsgevoelens vormen een schijnbaar ondoordringbaar pantser, omhullen de kern die bestaat uit zelfdestructie.

“Jij kan dit niet.”
“Niemand zit hierop te wachten.”
“Wie gaat hier nou voor betalen.”
“Wie wil dit nu kopen? Lezen? Weten? Doen?”
“Laat je dromen varen. Dit wordt niks.”

De steen kent en herbergt al mijn overtuigingen. Mijn geïnternaliseerde waarheden.
Mijn zelfboodschappen.

Kijk. Daar ligt ‘ie. Al jaren. Stil en groot en vlak voor mijn neus. Onverwoestbaar in al zijn eenvoud. Me tartend. Uitdagend.

Mijn vingertoppen dwalen langs zijn oppervlak. Het voelt glad en koel en hier en daar ontmoet mijn huid de grilligheid van gaten en kloven.

Hij kan kapot.

Geschrokken van die gedachte, die zich plotseling aan me opdringt, trek ik bliksemsnel mijn handen terug, alsof ik ze heb verbrand. Ik vouw mijn vingers in elkaar. Bijt op mijn lip en kijk peinzend naar de steen.

Kijk. Daar ligt hij. Groot en stil en vlak voor mijn neus. Onverwoestbaar in al zijn eenvoud. Me tartend. Uitdagend.
Dan, alsof ik word gestuurd, alsof ik niet meer nadenk maar alleen nog maar voel, balt mijn hand zich onwennig maar welwillend tot een vastberaden vuist.

Mijn vuist reikt naar de steen. En begint te slaan.

Eerst vertwijfeld. Ik vraag me af wat ik aan het doen ben. Waar ik aan ben begonnen. Daarna sla ik zelfverzekerder. Harder. Ik vind een ritme, een bevredigend cadans.

Het doet pijn. Veel pijn.

Toch blijf ik slaan. Ik bijt op mijn tanden. Haal adem. Ik zucht. Ik twijfel, om me daarna weer sterk te voelen.
En ondertussen sla ik door.

Hij kan kapot.

Ik huil. Knarsetand. Grom. Ik geef bijna op, maar niet helemaal.

Kijk. Daar ligt hij. Groot en stil en vlak voor mijn neus. Onverwoestbaar in al zijn eenvoud. Me tartend. Uitdagend.

Ik sla en sla en sla. Steeds opnieuw. Telkens op dezelfde plek. Op mijn vuist ontstaan blaren en de blaren trekken bloedend weg. Verworden tot blauwe plekken, die op hun beurt weer verdwijnen.

Ik sla en sla en sla.

Ik sla op de waarheden, die leugens bleken te zijn. Ik sla op de zelftwijfel, die omslaat in zelfverzekerdheid. Ik sla op de kern van zelfdestructie.

En dan, ineens.

Kijk. Daar ligt hij.

Zijn pantser is verbrokkeld. Zijn tarten verstomd. Zijn misplaatste bravoure verdwenen.

Nog even sla ik door op het gruis dat jarenlang mijn neiging tot zelfdestructie vormde. Dat een onverwoestbare steen leek, maar dat onherroepelijk verwerd tot wat het eigenlijk is.
Stof en as.

Vergelijkbare berichten